Popicoon Harry Styles geeft vanaf dit weekend tien shows in de Amsterdamse Johan Cruijff Arena. De honderdduizenden bezoekers leveren een enorme logistieke operatie en vele miljoenen euro’s op. Maar hoeveel profiteert de stad van zo’n megaconcertreeks?
Wanneer Harry Styles tien avonden achter elkaar optreedt in de Johan Cruijff Arena, gebeurt er meer dan alleen muziek. Het stadion verandert tijdelijk van sporttempel in een bestemming voor heel Europa. Amsterdam wordt geen tussenstop, maar een eindpunt. En dat heeft gevolgen: economisch, cultureel en zelfs psychologisch.
We zien de laatste jaren een duidelijke verschuiving in de popmuziek: van wereldtour naar wereldstad. Artiesten laten fans reizen in plaats van andersom. Dit model werkt vooral voor supersterren. Adele deed het in München, en Coldplay in Londen. Bands als Radiohead kiezen vaker voor meerdere avonden per stad, maar geen langdurig kamp op één plek.
Concert residency
Concert residency is geen standaard, maar een strategisch alternatief voor de grootste namen. Voor artiesten is dat logistiek slim: minder transport van podia en apparatuur, minder reisstress voor de crew en meer rust in een al intensief schema. Het podium blijft staan, de fans bewegen. Voor bezoekers is het duurder, maar ook aantrekkelijker: het wordt geen avondje uit, maar een city-trip met soundtrack.
De Arena wordt daarmee tijdelijk een economische motor. Hotels rond het stadion lopen al weken van tevoren vol, prijzen stijgen en restaurants, cafés en taxi’s profiteren mee. Economen spreken inmiddels over ‘Arenanomics’: de dynamiek waarbij een reeks megaconcerten een complete stedelijke vrijetijdseconomie aanjaagt.
Merchandise en tickets tikken samen meer dan 150 miljoen euro aan; 600.000 tickets. De ticketmiljoenen verdwijnen grotendeels naar de artiest en de internationale tourorganisatie, maar de echte lokale winst zit in het bed, het biertje en het ontbijtje. Niet in de omzet van de Johan Cruijff Arena die elk jaar, naast voetbalwedstrijden, zo’n 15 tot 20 concerten faciliteert (waaronder dit jaar ook nog eens vijf keer Bruno Mars; de netto-omzet van de Johan Cruijff Arena is zo’n 50 miljoen euro per jaar.
Lokale economie vaart er wel bij
Reken je grofweg 300.000 buitenlandse bezoekers en gemiddeld 400 euro besteding per persoon voor hotel, eten, vervoer en souvenirs, dan praat je over meer dan 120 miljoen euro aan besteding voor de regio. Voor het stadion zelf zijn drank en eten vaak een belangrijkere inkomstenbron dan alleen de huur (1 tot 2 miljoen euro per concert). En dan zijn er nog de reiskosten van de bezoekers; zo’n 50 mln. De economische taart is dus breed verdeeld: hotels, horeca, winkels en vervoer in de regio dragen daartoe bij.
Uiteindelijk duurt een concert twee uur, maar de economische echo duurt jaren. Amsterdam krijgt niet alleen volle hotelkamers en drukke terrassen, maar ook wereldwijde aandacht. Muziek als marketingmachine en de stad als podium.
Walther Ploos van Amstel.
Lees ook: Amsterdam profiteert van Harrymania, maar economische winst vooral lokaal